Oudheidkundige Vereniging en Museum Bleiswijk

Welkom / Home

Activiteiten / Nieuws

Dorpsgeschiedenis

Fotoarchief

Monumenten

Verhalen

Blesewic

Wetenswaardigheden

Publicatie's

Links

Contact

Genealogie

Verhalen: Bleiswijkers in de 16e en 17e eeuw

Op deze pagina verhalen en gebeurtenissen. Voor u geschreven door dhr. J. Kooyman.

Bleiswijkers 16e en 17e eeuw Onderwerpen  16e en 17e eeuw
18e eeuw 18e eeuw
19e en 20e eeuw 19e en 20e eeuw

Het berouw van de Schout (1643)
Bleiswijkse 17e eeuwers: 1677 en 1693
Belevenissen aan de Rotte in 1698

Bleiswijkse 17e eeuwers: 1677 en 1693 

In het archief van het ambacht Bleiswijk (inv.nr. 897) bevindt zich een publicatie uit 1677, waarin een executoriaal beslag gelegd werd op de goederen van mr. Pieter van Santen. Van Santen was een vermogend man, maar is in financiele moeilijkheden gekomen zodat hij niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen. Een zo'n schuldeiser is P. van Gravenbroeck die Van Santen veroordeeld wist te krijgen tot openbare verkoop van zijn goederen. In het in het archief berustende stuk werd dan ook afkondiging gedaan van deze verkoop, en tevens een oproep naar nog meer eventuele schuldeisers. Het is aardig om te zien wat deze meneer Van Santen (een geleerd en vermogend man voor zijn tijd) allemaal niet bezat:
een bed, hoofdkussen, twee tafels en twee tafelklederen, 10 kopjes en schotels, een voetenbank, een "luijrkastje" (?), een "kinckhoorn" (?), drie ijzeren roeden, twee roosters, kruijenpotten, een synodeboek (Van Santen was dus protestants), een hengel, een partij netten, een " schuijmspaan "(?), twee "blakers" (?). Interessant is het feit dat hij elf schilderijen bezat, helaas is daar geen beschrijving van gegeven. En opvallend is dat hij 14 stoelen bezat, plus nog eens negen stoelen opgeslagen bij Hendrik Koorncopern (waar had hij al deze stoelen voor nodig, vragen wij ons af). Ook had hij daar een "pors" (Perzisch tapijt?), vijf zitkussens, een kast met glazen en een trektafel opgeslagen.
Iets meer informatie over deze Pieter van Santen geeft het archief van de Nederlands-Hervormde gemeente. In de jaarrekeningen van de diakonie van 1676 en 1677 wordt Pieter van Santen ook genoemd. Hij bleek maar liefst f 1.800,-- bij de diakonie geleend te hebben, door middel van een rentebrief, waarover hij ieder jaar rente en aflossing moest betalen. In 1677 wordt vermeld dat Van Santen zijn huis en erf (waarvan Abraham van Duinen (?) mede-eigen aar van was) verkocht te hebben aan Hendrik Ariens (coorncooper). Deze bleek ook Van Santen's schuld bij de diakonie overgenomen te hebben. In 1677 was van de f 1.800,-- al f 568,-- te zijn afgelost.      

Een ander Bleiswijkse 17e eeuwer is Dirk Groenevelt, getrouwd met Maartgen Cornelis Decker, weduwe van de biersteker Cornelis Adriaans Delikaat. Op 6 januari 1693 compareerden zij voor baljuw en schout Dirk Blom dat zij van Willem Svandvelt, brouwer in de brouwerij van Rotterdam, het recht van bierstal, die op naam stond van Cornelis Jacobszn. Decker (vader van de bruid, overleden januari 1673) te hebben overgenomen. Dit is inclusief  het huis die aan de zuidzijde van het dorp van Bleiswijk stond. Vlakbij woonden Leendert Janszn. van Capelle en Claas Lucas. Aan de noordzijde is hun buurman ..., aan de zuidzijde Cornelis Teunis Dirkswager. Op 28 januari was Groenevelt met Maartgen Cornelis Decker getrouwd. Uit haar eerder huwelijk met Delicaat had Maartgen een dochter: Leentje.  Voogden over het "nagelaten weeskind"  waren Adriaans de Groot en Dirk Mees Segwaart. Er was een geschil gerezen tussen de voogden enerzijds en  Groenevelt anderzijds over de interpreatie van de legitieme portie zoals deze in het testament van Delicaat, gepasseerd op 15 april 1679 voor notaris Jacobus Huijsman, werd beschreven. Alle partijen gingen op voorhand akkoord met het compromis van Blom. Dirk Groenevelt diende aan de voogden het volgende te overhandigen: een blauwe schort, vier witte schorten, droie witte sloven, negen witte kroplappen, twee 'geblomde' kroplappen, negen paar voormouwen, tien mopsmutsen, acht witte mutsen, negen ondermutsen, zes linnen zakdoeken, twaalf halsdoeken, een servet, twee slaaplakens, twee slopen, zes hemden, twee paar witte kousen, een 'geblomde' borstrok, drie mantels, vier rokken, een paar zwarte wanten,een lap blauwe laken, een zilveren bel, een kettingtje, een "varken daar nog enig spaargeld in", plus een bedrag van f 53,-- en 13 stuivers die volgens aantekening tot het weeskind behoorde. Daarnaast krijgt een broer van de overledene een spaarvarken met inhoud, zilveren knopen, ook die knopen die Leentje al had, een paar zilveren gespen, een gouden ring plus een som van 100 Caroli gulden, contant,  ter voldoening van de legitieme portie voor de notaris, te betalen voor 1 november 1693. Verder krijgt Groenevelt zelf een bedrag van f 25,-- uit de genoemde f 100,-- voor het levensonderhoud van het weeskind die tot haar 20e verjaardag bij hem "kost, drank en huisvesting" krijgt.


Bronnen: AAB inv.nrs. 764 en 845 (in een transcriptie van dhr. J. Heemskerk)

Naar boven

Belevenissen aan de Rotte in 1698

Blijkens een kaart uit 1684 stond aan het einde van een looppad, het "Sevenhuijsche gangpat", (die ongeveer liep halverwege de huidige Hoefweg tussen de Dorpsstraat en kruispunt Noord)een scheepstimmerwerf aan de Rotte met enkele daarbijbehorende huizen. In 1698 was Cornelis Symons Scheepmaker een van de bewoners. Jan Janse en zijn vrouw Teuntje Willems, die het huis van Klaas Pieter Admiraal bewoonden, zagen op 22 oktober 1698 dat enkele lieden turf, eigendom van Jacob Pijnakker, aan het stapelen waren. Klaas Leenderts Knegt en Dirk Pieterszn. Keijser wilden in het begin van de avond een bezoekje aan Scheepmaker brengen toen zij Jan Janse opgewonden tegenkwamen die tegen hen uitriep dat er
turf uit de "schuyn" (=helling) van Jakob Pijnakker werd gestolen. Gehaast liep dit drietal naar de betreffende helling toe om daar aangekomen te constateren dat de daders vertrokken waren. Met een schuitje vaarden zij de Rotte af op zoek naar het turfschip van Pijnakker. Bij Meeuwenoort (een eilandje in de Rotte die even ten zuiden van de Lange Vaart lag) zagen zij de boot liggen. Op deze boot bevond een zekere Arie waar zij aan vroegen "waarom hij daer hat begeven " en wat hij bij Pijnakker te zoeken had. Arie antwoordde: "ik heb daer een turff of
twee uijtgenomen om in mijn vuijnpot (? ) te leggen ". Hierop gooide Keijser een haak tegen de achterkant van het schip, precies onder de luiken, en hoorden een stapel turf omvallen. Arie riep: "Jan, komt boven, sij nemen mijn goet!". Knegt, Keijser en Janse lieten zich niet afschrikken en sleepten de boot terug naar de helling van Pijnakker. Deze Arie bleek Arie Willems te wezen.

Na aangifte van Keijser, Knegt en Janse bij baljuw Dirk Blom en de arrestatie van Arie Willems deed Blom nader onderzoek naar de gedragingen van Willems. Op dringend verzoek van Blom kwamen Cornelis Pieterszn. Overrijder en zijn vrouw Betje Cornelis Huijsman bij de baljuw getuigen. Zij verklaarden dat zij op een zondagavond tegen zonsondergang over de Rotte aan het varen waren toen zij bij de helling van Jakob Pijnakker een schijnbaar lege schuit van Arie Willems zagen liggen. Zeven weken daarvoor, op een dinsdagochtend, vaarden zij naar Rotterdam toen zij omstreeks 09.00 uur tussen " 't Zootje" (=Oud Verlaat) en Terbregge Arij Willems met zijn schuit zagen liggen. Thuisgekomen, 's middags om 15.00 uur, deden zij een onaangename ontdekking. De voordeur en de achterdeur van hun huis stonden wagenwijd open. Vermist werden een rok, zilveren knopen afkomstig van een scharlaken hemd, een dames en heren hemd, zilveren knopen uit een broek, twee zilveren gespen afkomstig uit schoenen plus nog wat zilverwerk.
Nog weer drie weken hiervoor was Overrijnder met de zoon van Arij Moraal met zijn boot op weg naar Rotterdam. Nabij de korenmolen van Terbregge werd Overrijnder ineens gewaar dat Arij Willems achter hem aan vaarde. Toen Willems langszij kwam zag Overrijnder in de geopende luiken een lege turfmand zag staan. Overrijnder vroeg aan Willems waar hij heen ging en waarom hij zijn zeilen niet gebruikte waarop Willems antwoordde dat zijn roer het niet deed. De gehele nacht was hij in de weer geweest om het roer te repareren. Blijkbaar zonder veel succes want hij moest moeite doen om niet "het katjes of zootjes " in te gaan varen. Ongeveer drie weken na St. Jacob zag Overrijnder, toen hij het grote verlaat wilde invaren, zag hij Willems wel met zijn schuit "de katjes of sootjes plaat" invaren. Ditmaal had hij zijn vrouwen kind bij zich. Nieuwsgierig als Overrijnder was vroeg hij aan Willems waar hij heen ging, waarop Willems antwoordde: "naar onse Marij aan de lantscheijding". Enkele dagen hierna zag Overrijnder Willems weer buiten het grote verlaat staan. Weer met geopende luiken, nu geheel afgedekt waren.

Het was niet geheel toevallig dat Dirk Blom zoveelonderzoek deed naar Arij Willems. Want op 23 februari 1698 deden Tymons Dirkszn. van Leijerdorp en Pietertje Michiels Kerkhoff, echtelieden, woonachtig aan de Rotte in Hillegersberg (=Bergschenhoek) aangifte van een geheimzinnig bezoek van de broers Comelis, Pieter en Arij Willems bij hen thuis. Deze drie broers waren in Bleiswijk molenaar van beroep. Naast hen was er nog een vierde onbekende die Van Leijerdorp vroeg "of daer geen goet gebragt was 't geen sij gebergt mocht hebben". Van Leijerdorp wist hier niets van af. Hierop drongen de gebroeders Willems de woning binnen, doorzochten "de solder als in de spinne" en vonden niets van hun gading. Van Leijerdorp: "begeert gij noch dat wij de kist op doen ". "Ja, wij willen het hebben, doe self open". Van Leijerdorp gehoorzaamde maar zei wel tegen hen dat "weet gij wel dat gij sulke dingen niet doen mogt". Waarop zij antwoordden: "dat is al evenwel". Het viel op dat de gebroeders Willems niet te veel gedronken hadden en op het eerste gezicht geen kwaad in de zin leken te hebben. Maar Van Leijderdorp vertrouwde het niet en deed aangifte bij de baljuw.

(Bron: AAB 1521-1810, inv.nr. 764 {protocollen van baljuw en welgeboren mannen)

Naar boven

Het berouw van de Schout (1643)

Voor 1619 woedde in heel Holland en zeer zeker ook in Bleiswijk een hevige godsdienstig strijd tussen de Remonstranten en de contra-remonstranten over de leer van de pre-destinatie (uitverkiezing) 1). Tot 1619 hadden de Remonstranten in Bleiswijk, onder aanvoering van de zeer felle predikant Hendricus Slatius, de overhand. Na de synode in Dordrecht in 1619 werden de Remonstranten uit de Gereformeerde Kerk gezet en hun leer verboden, zo ook in Bleiswijk. Tot hen behoorde ook de schout en baljuw Gerrit Pietersz. Hofland 2). Samen met secretaris Adriaan Adriaansz. van Dijk had hij partij gekozen voor Slatius en zijn gevolg. Na de omwenteling in 1619 trok Van Dijk met Slatius naar elders, terwijl Hofland gewoon in functie bleef. Officieel werd hij Gereformeerd, zij het niet van harte. Tot leedwezen van de kerkenraad werd hij door zijn trots verhinderd om "openbaere schuldbekenninge" te komen aan die "openbaere schandalen ende ergenissen die hij heeft gegeven aan de waere oprechte leden der Gemijnte J. Christi" en werd hem de toegang tot het Heilig Avondmaal ontzegt.

In 1622 dreigde Hofland de kerkenraad tegenover de burgemeesters van Rotterdam en de Staten van Holland zwart te maken inzake de huisvrouw van Willem Michielsen. Onbekend is waar dit precies over ging. De kerkenraad bereidde zich op een eventuele verweerschrift voor.  Later in dat jaar stuurden zij nog enige belastende documenten over de schout op naar de "heren Staten" in het kader van een zuivering van alle schouten  die kort hiervoor noch partij hadden gekozen voor de Arminianen (Remonstranten).

In 1623 deed de kerkenraad "seer ernstelijck ende vriendelijck" pogingen om gemeenteleden die nog steeds "eenichsins Harminiaans" waren, ondanks  hun "schandelijcke Harminiaensche verraderije", te vergeven en ze bij de kerk te betrekken. De schout werd hiervan uitgezonderd omdat hij nog steeds bij zijn oude "huychelerije ende geveijnstheijt" bleef en hardnekkig weigerde aan de resoluties van de kerkenraad te voldoen.

In 1630 ondernam de kerkenraad wederom een poging. Hij reageerde "dat hij noch niet volcomelijk daertoe en conde resolveren" (hij was er nog niet aan toe). Wel had hij er met zijn vrouw Rochusgien Ariaens Starrenburch over gesproken, maar "geen tijt van dencken bepalende" (gun mij de tijd). Een antwoord die de kerkenraad teleurstelde: "dat de Heer hem soodanige bedencking" mocht geven die tot "sijnen salicheyt" mocht strekken.

In 1643 besloot ds. Adrianus Cocquinius weer een poging te wagen en zocht Hofland thuis op. Het was de predikant opgevallen dat de schout inmiddels heel trouw de kerkdiensten bezocht en ook "doorgaens in 't samensprekingen en andersins betoont een vriendt te sijn van de Gereformeerde Religie". Inmiddels was er een einde gekomen aan een slepende kwestie tussen Hofland en de ambachtsbewaarders inzake de betaling van belasting over het schout- en baljuwambt in de jaren 1641 en 1642, zodat Hofland weer een zorg minder had. Zodoende kon hij deze kwestie niet meer als een excuus gebruiken om zijn kerkelijke verplichtingen na te komen ("uijtvlucht genomen"). De kerkenraad wilde hem zover krijgen dat hij nu eindelijk spijt gaat betuigen ("herte leed") van zijn keuze voor Slatius en de Remonstrantie en vanaf nu openlijk de Gereformeerde belijdenis gaat aanhangen. Tijdens het bezoek van de predikant toonde Hofland zich "gansch gewillich en behoorlick" en sprak met de predikant een datum af om langs te komen en zijn standpunt bekend te maken. Op 2 april 1643 verklaarde hij bij Cocquinius dat hij "een ernstige begeerte hadde om voortaan met de Gereform. gemeynschap des H. Avontmaels te houden". De predikant vroeg hem nadrukkelijk of hij zich nog herinnerde hoe hij zich ten tijde van Slatius had gedragen ("tegens de gereform. gedaen"). Had hij daarover ernstig berouw? Hofland antwoordde "met grote bewegentheyt des gemoets" met "ja". Als verklaring gaf hij zijn jeugdigheid op en zijn verlangen naar verandering. Hij is bereid voor de gehele kerkenraad een bekentenis af te leggen, die hij ook de volgende dag, goede vrijdag, na de kerkdienst, inderdaad deed in bijzijn van de predikant en de ouderlingen Cors Pietersze en Jan Cornelisz. Roobol. Hiermee beleed Hofland geen enkele bezwaar tegen de Gereformeerde belijdenis te hebben zoals deze luidt volgens Gods Woord en de Augburgse Confessie. Op eerste paasdag werd dit heuglijke feit van de preekstoel afgekondigd. Gerrit Pieters Hofland overleed op 16 juni 1669 in Rotterdam op 79-jarige leeftijd en werd in de dorpskerk begraven. Op 3 juli 1645 was hij al weduwnaar geworden 3).

1.  Schout van 1611-160. Blesewic nr. 51, blz. 20.
2. Op 17 september 1623 sprak de kerkenraad over Cornelis Willemsen die regelmatig te veel dronk en dan in beschonken toestand in de herbergen wilde disputeren over de pre-destinatie en "andere gewichtige pointen". De kerkenraad kon dit niet waarderen, omdat deze discussies op andere plaatsen en op een stichtelijke wijze dienden te geschieden. Bovendien sprak Willemsen ook heel spottend over de magistraten zodat besloten werd hem van de Avondmaalstafel te weren, opdat irritaties weggenomen mochten worden en "vijanden der waerheyt den mont tot lasteren niet geopent werde".
3. Op 7 januari 1649 hetrouwde Hofland met Jannetje Pauwels van Atten. Blesewic 51, blz. 20. Zie ook M. Huizer, "De dorpskerk in Bleiswijk", blz. 167, beschrijving van grafzerk nr. 12. 
4. Notulen kerkenraad Nederlands-Hervormde Gemeente, AGB inv.nr. 1242. Voor dit stuk is vooral gebruik gemaakt van een transcriptie van deze notulen door Cornelis van der Plas, gereed gekomen in 1898. Zie AHG , voorl. inv.nr. 2.

Naar boven

 

 

Naar boven

 

Laatste wijziging: 21-12-2005